Bijzondere zondag: Maria Sibylla Merian
Bijzondere zondag: Maria Sibylla Merian
Meer dan vijftig jaar kweekte Maria Sibylla Merian (1647-1717) rupsen, maden, kevers, kakkerlakken in glazen poten en houten dozen. Ze observeerde ieder stadium nauwkeurig en tekende de insecten samen met de planten waarvan ze aten. Ze was de eerste die zich zo toegewijd bezighield met wat men ‘bloedeloze dieren’ noemde en die de band tussen plant en insect naar waarde schatte.
Rond 1600 had de Engelse arts Thomas Mouffet ontdekt dat vlinders niet uit modder en zonnewarmte ontstonden, zoals men dacht, maar een metamorfose van ei over rups en pop doormaakten. Merian ‘werd gewaar dat alle wormen en rupsen de transformatie, of verandering onderworpen zijn’. Zo schrijft ze zelf in de inleiding van Der rupsen. Begin, voedzel en wonderbaare verandering, waarvan hier de Franse vertaling ligt. Het zette haar aan met meer ijver ‘in deze speculatie wat dieper in te gaan.’ Haar leven lang zou ze wormen uit de grond peuteren, uitwerpselen van rupsen ontleden en alles wat ze zag minutieus tekenen. Om dat te doen, had je doodstille dieren nodig. Alle insecten die op haar tekeningen over bladeren kruipen of op bloemen zitten waren in werkelijkheid op een naald geprikt.
Merian werd in 1647 in Frankrfurt am Main geboren als dochter van Johanna Sibylla Heim en de bekende graveur Matthaus Merian de Oude. Haar vader stierf toen ze drie jaar was en haar moeder hertrouwde met de Nederlandse stillevenschilder Jacob Marrel. Hij leerde zijn stiefdochter schilderen en moedigde – tegen de wil van haar moeder - haar belangstelling voor ‘bloedeloze dieren’ aan.
Na haar huwelijk met de architectuurschilder Johann Andreas Graff in 1665 en de geboorte van haar twee dochters, Johanna Helena en Dorothea Maria, publiceerde ze twee Rupsenboeken in het Duits. ’s Nachts had ze de gewoonte rond te dwalen en nachtvlinders te vangen. Het is niet bekend wat haar man hiervan dacht. Aanklachten voor hekserij waren nog geen verleden tijd en een dame van stand werd niet geacht eitjes van vliegen open te snijden. Wel is geweten dat ze in 1686 met kinderen en zonder man naar Wieuwerd verhuisde waar de Labadisten een geloofsgemeenschap in gemeenschap van goederen hadden. Vijf jaar later vestigde ze zich in Amsterdam, waar ze een eigen handel opzette in pigmenten, penselen, geprepareerde insecten en dieren op sterk water.
Bekendheid zou ze nog in haar eigen leven verwerven met haar studies van Surinaamse insecten. Twee jaar lang reisde ze met haar jongste dochter Dorothea Maria, en geholpen door inheemse gidsen en dragers, door de bossen van Suriname en schilderde ze alle planten, vlinders, slangen, hagedissen die ze zag. In 1704 verscheen haar zogenaamde meesterwerk, het Surinaamse Insectenboek.
Na een hersenbloeding in 1714 en haar overlijden in 1717 namen haar beide dochters haar werk over. Dorothea Maria voegde eigen waarnemingen en niet gepubliceerde tekeningen toe aan heruitgaven van de Rupsenboeken. ‘Om aan de liefhebbers genoegen te geven en te kunnen zeggen dat nu al haar werken compleet zijn.’